lila

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • li·la
enkelvoud meervoud
naamwoord lila
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lila

  1. (kleur) lichtpaars
Vertalingen
stellend
onverbogen lila
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

lila

  1. (kleur) de kleur lila hebbend
    Hij rijdt in een lila auto.
Synoniemen


Hongaars

stellend vergrotend overtreffend overdreven
lila lilább leglilább legesleglilább

Bijvoeglijk naamwoord

lila

  1. (kleur) paars


Spaans

enkelvoud meervoud
lila lilas

Zelfstandig naamwoord

lila v

  1. (kleur) lila
  enkelvoud meervoud
mannelijk lila lilas
vrouwelijk lila lilas

Bijvoeglijk naamwoord

lila

  1. (kleur) lila


Zweeds

Bijvoeglijk naamwoord

lila

  1. (kleur) paars