geel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van de Proto-Indo-Europees-wortel *ghlo-.
Lettergrepen
- geel
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | geel | |
| verkleinwoord |
geel o
- een kleur zoals die van licht van een golflengte van 582 nm.
- Het geel van deze afbeelding steekt scherp af tegen het blauw.
- Sjabloon:duivensport: een aandoening van keel, luchtpijp en krop veroorzaakt door een ééncellige parasiet Trichomonas gallinae.
- Vroeger was het geel een gevreesde, want dodelijke, ziekte die nu veelal genezen kan worden.
Synoniemen
- [2]: frons (valkerij)
Vertalingen
1. een kleur
2. vogelziekte
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | geel | geler | geelst |
| verbogen | gele | gelere | geelste |
geel
- geel hebbend als kleur.
- Deze bloem is het geelst.
Vertalingen
1. geel hebbend als kleur
Naamworden die kleuren aangeven kunnen afhankelijk van de taal puur zelfstandig (z) of puur bijvoeglijk (b) zijn. Vaak echter zijn zij in principe zelfstandig maar worden zij ook bijvoeglijk gebruikt (z/b) of juist het omgekeerde (b/z)
na te gaan of het een zelfstandig of een bijvoeglijk naamwoord betreft
Afrikaans
Bijvoeglijk naamwoord
geel
- geel

