rood
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: rood (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /rot/
- (Vlaanderen, Brabant): /rot/
- (Limburg): /rod/
Woordafbreking
- rood
| [1] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | rood | - |
| verkleinwoord | - | - |
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | rood | roden |
| verkleinwoord | roodje | roodjes |
Zelfstandig naamwoord
rood
- o (kleur) een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm
- v/m (valkerij) een vogel die nog niet gemuit heeft en zijn jeugdkleed nog heeft
Afgeleide begrippen
- [1] bloedrood, roodheid, roodhuid, aardbeirood, beigerood, bleekrood, briljant lichtrood, briljantrood, bruinrood, donkerrood, framboosrood, indisch rood, karmijnrood, koraalrood, licht roodoranje, middenvioletrood, oranjerood, oriëntrood, oxiderood, paarsrood, parelmoerdonkerrood, parelmoerlichtrood, purperrood, robijnrood, roodbruin, roodlila, roodoranje, roodpaars, scharlakenrood, signaalrood, tomaatrood, verkeersrood, violetrood, vuurrood, wijnrood, zalmrood, zuiver rood, zuiverrood, zwartrood
Vertalingen
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | rood | roder, (rooier) | roodst |
| verbogen | rode, (rooie) | rodere, (rooiere) | roodste |
| partitief | roods | roders, (rooiers) | - |
Bijvoeglijk naamwoord
rood
- (kleur) de kleur rood hebbend
- Na dat geren zien jullie allemaal rood, maar Jan is wel het roodst.
Vertalingen
1. de kleur rood hebbend
|
|
Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)