rood
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: rood (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /rot/
- (Vlaanderen, Brabant): /rot/
- (Limburg): /rod/
Woordafbreking
- rood
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rood | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
rood o
- (kleur) een kleur zoals die van licht met een golflengte langer dan 600nm.
Vertalingen
1. een kleur zoals die van licht met een golflengte langer dan 600nm.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | rood | roder, (rooier) | roodst |
| verbogen | rode, (rooie) | rodere, (rooiere) | roodste |
| partitief | roods | roders, (rooiers) | - |
Bijvoeglijk naamwoord
rood
- de kleur rood hebbend.
- Na dat geren zien jullie allemaal rood, maar Jan is wel het roodst.
Vertalingen
1. de kleur rood hebbend
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rood | roden |
| verkleinwoord | roodje | roodjes |
Zelfstandig naamwoord
- (valkerij) een vogel die nog niet gemuit heeft en zijn jeugdkleed nog heeft.