Scheidbare werkwoorden hebben in de regel hun woordaccent op het voorvoegsel. Zowel de vervoegde vormen (zoals de ott en ovt) als de niet-vervoegde vormen (zoals het voltooid deelwoord en de onbepaalde wijs) vertonen scheidbaarheid van het voorvoegsel.
- vervoegde (finite) vormen
In hoofdzinnen wordt het voorvoegsel van een vervoegde vorm gewoonlijk als bijwoordelijk deel van het werkwoord aan het eind van de zin geplaatst:
- inlopen: ik liep het huis in.
In bijzinnen vervalt de scheidbaarheid:
- inlopen: ik zei dat ik het huis inliep.
- niet-vervoegde (infinite) vormen
De scheidbaarheid van het voltooid deelwoord blijkt uit de plaatsing van het ge- voorvoegsel:
De onbepaalde wijs wordt gewoonlijk gescheiden in zijn te-vorm:
Veel scheidbare voorvoegsel zijn van oorsprong voorzetselbijwoorden zoals in-, toe- of me(d)e-, maar er zijn ook woorden van andere afkomst die door samenstelling zo zijn gaan functioneren, bijv. weg- in weggegeven of koffie- in koffiegedronken.
|