stokvis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stok·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stokvis stokvissen
verkleinwoord (stokvisje) (stokvisjes)

Zelfstandig naamwoord

stokvis m

  1. (vissen) (voeding) gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige (orde Gadiformes op Wikispecies) vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
    • Heb je de stokvis al gebeukt? 
    • Advocaatje ging op reis, tiereliereliere...
      Stokvis kreeg hij bij 't ontbijt, tierelierelom...
      't Graatje schoot hem in zijn keel, tiereliereliere, etc
       
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord stokvis stokvisse

Zelfstandig naamwoord

stokvis

  1. (vissen) Merluccius capensis op Wikispecies Zuid-Afrikaanse heek