stick

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stick
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord stick sticks
verkleinwoord stickje stickjes

Zelfstandig naamwoord

stick m

  1. staafvormig voorwerp
  2. (sport) een slaghout bij (ijs)hockey, een hockeystick
    Bij hockey wordt gebruik gemaakt van sticks.
  3. (sport) idem gebruikt bij golf, een golfclub
  4. (informatica) een USB-stick of memorystick
    Geef me je stickje maar even, dan kan ik de bestanden kopiëren.
  5. een wietstick of joint (meestal stickie genoemd)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stick sticks

Zelfstandig naamwoord

stick

  1. stok
  2. tak
vervoeging
onbepaalde wijs to stick
he/she/it sticks
verleden tijd sticked
voltooid
deelwoord
sticked
onvoltooid
deelwoord
sticking
gebiedende wijs stick

Werkwoord

stick

  1. steken
  2. plakken