stick

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stick
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels.
enkelvoud meervoud
naamwoord stick sticks
verkleinwoord stickje stickjes

Zelfstandig naamwoord

stick m

  1. staafvormig voorwerp
  2. (sport) een slaghout bij (ijs)hockey, een hockeystick
    • Bij hockey wordt gebruik gemaakt van sticks. 
  3. (sport) idem gebruikt bij golf, een golfclub
  4. (informatica) een USB-stick of memorystick
    • Geef me je stickje maar even, dan kan ik de bestanden kopiëren. 
  5. een wietstick of joint (meestal stickie genoemd)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stick sticks

Zelfstandig naamwoord

stick

  1. stok
  2. tak
vervoeging
onbepaalde wijs to  stick 
he/she/it  sticks 
verleden tijd  sticked 
voltooid
deelwoord
 sticked 
onvoltooid
deelwoord
 sticking 
gebiedende wijs  stick 

Werkwoord

stick

  1. steken
  2. plakken