maatstok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maat·stok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord maatstok maatstokken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

maatstok m [1]

  1. een stok waarmee je iets kunt meten
    • De ateliers steenhouwen en de cursus geometrie, waar wordt uitgelegd hoe in de Middeleeuwen met maatstok en touw werd gemeten, zijn een succes. Ze kunnen gemakkelijk worden uitgebreid met touw maken, timmeren, spinnen en calligraferen. Maar eerst moeten de pannen op het kasteeldak en moet er worden gebouwd aan het derde kruisgewelf. Als alles goed gaat, is Guédelon in 2023 klaar.[2] 
  2. meet methode
    • Dit is een maat voor statistische verdeling die door een landgenoot van haar, t.w. de Italiaanse statisticus en socioloog Corrado Gini ontwikkeld en gepubliceerd werd in zijn Essay "Variabiliteit en veranderlijkheid"uit 1912 (Italiaans: Variabilità e mutabilità). Het wordt onder andere gebruikt in de “Cumulative Accuracy Profiles” ofwel kortweg CAP genoemd; de maatstok, waarmee de kwaliteit van Ratings wordt gemeten.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant Ariejan Korteweg 31 juli 2010
  3. de Telegraaf JOHAN WIERING 25 aug. 2012
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be