stock

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stock
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘voorraad, kapitaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
  • van Engels stock [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stock stocks
verkleinwoord stockje stockjes

Zelfstandig naamwoord

stock m

  1. dat wat wordt bewaard om pas in de toekomst te gebruiken of te verkopen
    • hij moest toch iets doen om zijn familie te onderhouden. Dus handelde hij in parels. Waren we nieuwsgierig om iets van de stock te zien? Ja, zei ik, onwillekeurig rondkijkend naar een brandkast in de donkere hoeken van de kamer. Hij trok een van de houten laden van de wrakke schrijftafel open, en haalde er een sigarenkistje uit. Hij deed het open en liet ons de inhoud zien. Het was vol met bleekrose parels, in alle maten, als rose kaviaar. [3]
  2. (kaartspel) stapel speelkaarten
    • "Wil je een spelletje canasta doen?" (…) Ted kondigde een serie vrouwen aan, dus ik legde een klaverdrie om te voorkomen dat hij de stock afgegooide kaarten inpikte. [4]
  3. (dichtkunst) telkens terugkerende regel in een refrein
    • In de kamers of bij de vele rederijkersfeesten, waar men van heinde en verre bijeenkwam om het plaatselijk prestige te verdedigen, werden opdrachten gegeven om met een bepaalde slotregel (de stock) een bepaald soort refrein te vervaardigen. [5]
  4. verouderde spelling of vorm van stok van vóór 1805
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse stoc.
enkelvoud meervoud
stock stocks

Zelfstandig naamwoord

stock

  1. voorraad
  2. aandeel
  3. kolf (van geweer)
vervoeging
onbepaalde wijs to stock
he/she/it stocks
verleden tijd stocked
voltooid
deelwoord
stocked
onvoltooid
deelwoord
stocking
gebiedende wijs stock

Werkwoord

stock

  1. overgankelijk voorraadig zijn
Synoniemen