Naar inhoud springen

cane

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
cane canes

cane

  1. (plantkunde) stengel, stam [1]
  2. rotting [2]
vervoeging
onbepaalde wijs to  cane 
he/she/it  canes 
verleden tijd  caned 
voltooid
deelwoord
 caned 
onvoltooid
deelwoord
 caning 
gebiedende wijs  cane 

cane

  1. overgankelijk slaan met een rotting [2]
  2. overgankelijk maken van de steel van een plant (bijv. bamboe of rotan)
  1. cane, Online Etymology Dictionary


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  cane     la cane     canes     les canes  

cane v

  1. (dierkunde) eend (wijfje)
vervoeging van
caner

cane

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van caner
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van caner
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van caner


enkelvoud meervoud
cane cani

cane m

  1. (roofdieren) hond
  2. (dierkunde) reu

cane m, v

  1. (roofdieren) hond