stem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stem
enkelvoud meervoud
naamwoord stem stemmen
verkleinwoord stemmetje stemmetjes

Zelfstandig naamwoord

stem v/m

  1. (biologie) het geluid dat ondermeer door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    De menselijke stem is uniek in de biologie.
  2. (communicatie) het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    Je herkent hem aan zijn donkere stem.
  3. (muziek) het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    Een countertenor met zijn hoge stem.
  4. (muziek) een van de partijen van een vocaal of instrumentaal muziekstuk
    De eerste stem van een partituur is zeer gegeerd omwille van de solo’s.
  5. (muziek) één van de reeksen orgelpijpen met een eigen klankkleur, die de organist desgewenst kan laten meeklinken
    Hoeveel stemmen heeft dit kerkorgel?
  6. (sociologie) een mondeling of schriftelijk kenbaar gemaakte wilsuiting die bij het nemen van een beslissing of een verkiezing, medebepalend is
    De stem van de dertiende partijgenoot was beslissend voor de herverkiezing.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: de stem van het geweten
het eigen geweten laten spreken
  • [6]: een stem in het kapittel hebben
in een zaak stemgerechtigd zijn
  • [6]: de stemmen zwijgen
onbesliste uitslag bij een stemming
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stemmen

stem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stemmen
    Ik stem.
  2. gebiedende wijs van stemmen
    Stem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stemmen
    Stem je?

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
stem stems

Zelfstandig naamwoord

stem

  1. (biologie) stam, stengel
  2. (taalkunde) stam