stomheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stom·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van stom met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord stomheid stomheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stomheid v

  1. zaken die gebeuren door domheid en/of onoplettendheid
    • De dronken man begin een grote stomheid door tegen de deur van de burgemeester aan te plassen. 
  2. het dom zijn
    • Het was weer eens zijn stomheid waardoor hij in de problemen kwam. 
Synoniemen
  1. domheid, stommiteit

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.