Naar inhoud springen

stemhokje

Uit WikiWoordenboek
1. Drie mannen in een stemhokje.
  • stem·hok·je
enkelvoud meervoud
naamwoord (stemhok) * (stemhokken) *
verkleinwoord stemhokje stemhokjes

hetstemhokjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stemhok, (politiek) schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij het invullen van een stembiljet afzondert, zodat niemand kan zien wat je stemt
    • Er stond een hele rij voor de stemhokjes. 
  • Dit verkleinwoord is de gangbare vorm.
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[2]