Naar inhoud springen

stemmen

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
stemmenstemmend
stemminggestemd
  • stem·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stemmen
stemde
gestemd
zwak -d volledig

stemmen

  1. inergatief deelnemen aan een verkiezing
  2. overgankelijk (muziek) een instrument op de juiste toonhoogte brengen, gelijkstemmen
    • Het orkest stemt altijd op de a van de hobo. 
  3. overgankelijk iemand een bepaald gevoel geven
    • Dat stemde hem een stuk vriendelijker. 
     Hij ontkent de beschuldiging niet, maar probeert haar milder te stemmen.[3]

destemmenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stem
     Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[4]
     ' Stemmen worden onverstaanbaar, gezichten wazig.[5]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  1. stemmen op website: Etymologiebank.nl
  2. www.parool.nl (22 mrt 2025)
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • stem·men
Naar frequentie 4581

stemmen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van stemme
  • stem·men
Naar frequentie 1801

stemmen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van stemme
  • stem·men

stemmen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van stem