stemgeluid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stem·ge·luid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stemgeluid stemgeluiden
verkleinwoord stemgeluidje stemgeluidjes

Zelfstandig naamwoord

stemgeluid o [1]

  1. hoorbare luchttrillingen die gemaakt worden in het menselijke strottenhoofd
    • `Potverdomme', riep de agent met het gedempte stemgeluid van een verkoudheid, terwijl hij zijn hand voor zijn neus hield. Er liep bloed tussen zijn vingers door. [2] 
    • Bij volwassenen is de stemspleet het nauwste deel van de hoge luchtweg. Als een patiënt in staat is om te spreken of andere stemgeluiden te maken, met een normale stem, dan is de hoge luchtweg in principe 'vrij' te verklaren. Bij zwellingen van de stembanden zal de stem veranderen en meestal hees klinken. Bij verlamming van de stembanden is spreken onmogelijk. De hoge luchtweg kan daarmee alsnog bedreigd zijn. [3] 
    • De nieuwe versie van de robothond, te koop vanaf 198.000 yen (zo’n 1.500 euro), zal veel meer op een echte hond lijken dan zijn voorganger. Het diertje beweegt natuurlijk en zijn oogjes laten verschillende uitdrukkingen toe. In de neus zijn sensoren en een camera aangebracht, waarmee het zijn baasje zou moeten herkennen. Dankzij artificiële intelligentie zal het speeltje reageren op stemgeluid en zelfs nieuwe zaken kunnen aanleren.[4] 
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Hendrix, Hanneke De dyslectische hartenclub [2014] ISBN 978-90-445-3128-2 pagina 71
  3. Bakker, Marc Proactive nursing 2013 ISBN 978-90-5931-969-1 pagina 27
  4. de Standaard 01/NOVEMBER/2017 om 16:32 door rdc