uitslag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·slag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitslag uitslagen
verkleinwoord uitslagje uitslagjes

Zelfstandig naamwoord

uitslag m

  1. (sport) (spel) afloop (van een wedstrijd), resultaat (van een onderzoek, een examen of een raadpleging)
    • De uitslag van de wedstrijd was zeer teleurstellend voor de thuisploeg. 
    • ,,In een derby zo ruim verliezen is niet prettig, ook niet als het nergens meer om gaat. Toch zijn we niet van de mat gespeeld, ondanks de uitslag”, aldus de verliezende trainer Hilbert van Gils. [3] 
  2. (bouwkunde) aanslag (ten gevolge van vocht op of in een muur) die van binnenuit komt.
  3. (medisch) uiterlijk zichtbare ziekteverschijnselen van de huid
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen