basstem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas·stem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord basstem basstemmen
verkleinwoord basstemmetje basstemmetjes

Zelfstandig naamwoord

basstem v/m

  1. (muziek) een lage mannenstem
    • Hij heeft een prachtige basstem. 
  2. (muziek) de laagste stem in een stuk muziek van vier of meer stemmen
    • In de renaissance werd er aan de voorheen gebruikelijke cantus, contratenor en tenor een vierde stem, de basstem toegevoegd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be