gegil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·gil
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling van voltooid deelwoord van gillen zonder -d
enkelvoud meervoud
naamwoord gegil
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gegil o

  1. gekrijs, geschreeuw, lawaai met een hoge toon
    Het gegil van de sirene ging door merg en been.
    Het gegil van de kleuters maakte geen indruk op de kleuterjuf.