solo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·lo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord solo solo's
verkleinwoord solootje solootjes

Zelfstandig naamwoord

solo m

  1. het alleen optreden
    • Zij zingt een solo. 
  2. het alleen uitvoeren van een reeks acties in een sportwedstrijd
    • Hij scoorde na een prachtige solo. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·lo
  enkelvoud meervoud
mannelijk solo solos
vrouwelijk sola solas

Bijvoeglijk naamwoord

solo

  1. eenzaam, alleen
Synoniemen

Verwijzingen