Naar inhoud springen

solo

Uit WikiWoordenboek
  • so·lo
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘bijwoord: als zanger of speler alléén’ voor het eerst aangetroffen in 1782 [1] [2]

solo [3] [4]

  1. zonder hulp van een maat
  2. als zanger of speler alleen
enkelvoud meervoud
naamwoord solo soli
solo's
verkleinwoord solootje solootjes

desolom

  1. het alleen optreden
    • Zij zingt een solo. 
  2. het alleen uitvoeren van een reeks acties in een sportwedstrijd
    • Hij scoorde na een prachtige solo. 
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  • so·lo
  enkelvoud meervoud
mannelijk solo solos
vrouwelijk sola solas

solo

  1. eenzaam, alleen