stemming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stem·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stemming stemmingen
verkleinwoord stemminkje stemminkjes

Zelfstandig naamwoord

stemming v

  1. een mentale of emotionele toestand
    • De stemming van de vergadering sloeg om na de beschuldiging van de voorzitter. 
    • Tijdens zijn volgende verlof was Cécile er dromerig en betoverd met het puntje van haar wijsvinger overheen gegaan, wat Alberts stemming er niet beter op had gemaakt. [1] 
  2. het uitbrengen van de stem, bijvoorbeeld bij verkiezingen
  3. (financieel) de heersende mening over de toestand van de markt
  4. (muziek) de hoogte van de standaardtoon en de onderlinge toonhoogteverhoudingen van een muziekinstrument of toonladder
    • Deze blokfluit is gemaakt in de gelijkzwevende stemming . 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 16