rondvaart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·vaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rondvaart rondvaarten
verkleinwoord rondvaartje rondvaartjes

Zelfstandig naamwoord

rondvaart v/m

  1. een ronde varen met het doel de omgeving te bekijken
    • Als we in Utrecht zijn, zullen we dan ook op een rondvaart meegaan? 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rondvaren

rondvaart

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rondvaren
    • ... dat jij rondvaart. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rondvaren
    • ... dat hij rondvaart. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be