rondje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·je
enkelvoud meervoud
naamwoord rond ronden
verkleinwoord rondje rondjes

Zelfstandig naamwoord

rondje o dim. tant.

  1. een traktatie, gewoonlijk van alcoholische aard aan de aanwezigen in een kroeg
    • Hij gaf een rondje en dat ging er wel in bij zijn vriendjes. 
  2. (sport) een enkele rondgang over een baan
    • Ze hadden na een paar rondjes al een flinke achterstand. 

Zelfstandig naamwoord

rondje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord rond

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie