rondrennen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·ren·nen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

rondrennen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rondrennen
rende rond
rondgerend
zwak -d volledig
  1. in rondjes rennen
  2. druk heen en weer rennen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen