ronde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ron·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rondgang van patrouille’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485 [1]

Bijvoeglijk naamwoord

ronde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van rond
enkelvoud meervoud
naamwoord ronde rondes
ronden
verkleinwoord rondetje rondetjes

Zelfstandig naamwoord

ronde v/m

  1. een afgebakend onderdeel van een groter geheel
    • Deze ronde van besprekingen was het meest succesvol. 
  2. (sport) een wedstrijd in de vorm van een rondrit
  3. een rondgang om iets te controleren
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
rondar

ronde

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van rondar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van rondar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van rondar