rondlopen
Uiterlijk
- rond·lo·pen
- samenstelling van rond en lopen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rondlopen |
liep rond |
rondgelopen |
| klasse 7 | volledig | |
rondlopen
- ergatief een gesloten kromme lopend volmaken
- Ze zijn al drie keer rondgelopen en moeten nog twee rondjes.
- ▸ De mensen blijven rondlopen en de stoel van de vrouw blijft leeg.[1]
- inergatief herhaaldelijk ongericht lopen door een bepaald gebied
- Er lopen daar vaak een paar reeën rond.
- ▸ Zeggen dat je ondernemer wilt worden zonder een unieke en bijzondere kans te zien is zoiets als rondlopen met een gigantische hamer op zoek naar dingen om kapot te slaan.[2]
1.
- Het woord rondlopen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "rondlopen" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑ Luke Burgis“Waarom we willen wat we willen” (2021), Xander, ISBN 9789401619004
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 7 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %