rondlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rondlopen
liep rond
rondgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

rondlopen

  1. ergatief een gesloten kromme lopend volmaken
    • Ze zijn al drie keer rondgelopen en moeten nog twee rondjes. 
  2. inergatief herhaaldelijk ongericht lopen door een bepaald gebied
    • Er lopen daar vaak een paar reeën rond. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.