ronden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ron·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ronden
rondde
gerond
zwak -d volledig

Werkwoord

ronden

  1. overgankelijk (scheepvaart) geheel rondom een kaap varen
    • Zij hadden Kaap Hoorn gerond. 
Hyponiemen

Zelfstandig naamwoord

ronden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ronde

Zelfstandig naamwoord

ronden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rond

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
rondar

ronden

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van rondar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van rondar