rondleiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·lei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rondleiden
leidde rond
rondgeleid
zwak -d volledig

Werkwoord

rondleiden

  1. overgankelijk mensen langs een route met interessante plekken voeren en uitleg geven
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.