mik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mik
enkelvoud meervoud
naamwoord mik mikken
verkleinwoord mikje mikjes

Zelfstandig naamwoord

mik

  1. m het mikken, het ergens op richten
  2. v/m (voeding) een zwaar soort brood van in linnen zakjes gekookt ongezift roggemeel
  3. v/m (scheepvaart) deel van een maststrijksysteem waarop de mast in gestreken stand rust
    In gestreken stand rust de mast in de mik.
  4. v/m handel, spul, zooi
    Ik weet niet wat ik met deze mik aanmoet.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: weten van kikken noch mikken
geborgen zijn

Werkwoord

vervoeging van
mikken

mik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
    Ik mik.
  2. gebiedende wijs van mikken
    Mik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
    Mik je?


Albanees

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Latijnse amicus.

Zelfstandig naamwoord

mik

  1. vriend


Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief ik wit weis
accusatief mik ugkis uns/unsis
genitief meina ugkis unsara
datief mis *ugkara uns/unsis

Persoonlijk voornaamwoord

mik

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)



Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs onvoltooid
deelwoord
voltooid
deelwoord
mik

-
-
gemik

klasse 4 volledig

Werkwoord

mik

  1. mikken
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: mek.