weten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Verwant in Germaans:
Duits: wissen
Engels: wit
Oudhoogduits: wizzan
Gotisch: witan
  • Verwant in Romaans:
Latijn: videre
Italiaans: vedere
Spaans: ver
Frans: voir
  • Verwant in Grieks:
Grieks: εἴδω, οἶδα
  • Verwant in Slavisch:
Pools: widzieć
Russisch: видеть
Opmerkingen
  • Het werkwoord is van oorsprong zwak: wist komt van *weetde. Het deelwoord is sterk geworden, maar niet in bijvoorbeeld het woord bewust.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weten
wist
geweten
onregelmatig volledig

Werkwoord

weten

  1. ergens kennis van hebben
    Hoe kun je dat nou weten als die stof nog nooit behandeld is?
  2. ~ te: erin slagen
    Hij wist zijn vader zover te krijgen hem dat geld te geven.
Uitdrukkingen en gezegden
  • weten waar men mee bezig is
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wijten

weten

  1. meervoud verleden tijd van wijten
    Wij weten.
    Jullie weten.
    Zij weten.