vit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- vit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vitten |
vit
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vitten
- Ik vit.
- gebiedende wijs van vitten
- Vit!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vitten
- Vit je?
Faeröers
Uitspraak
- IPA: /viːt/
Persoonlijk voornaamwoord
vit
Zweeds
Uitspraak
Woordafbreking
- vit
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| vit |
vitare |
vitast |
Bijvoeglijk naamwoord
vit