man

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man
enkelvoud meervoud
naamwoord man mannen
verkleinwoord mannetje mannetjes

Zelfstandig naamwoord

man m

  1. persoon van het mannelijk geslacht.
    Elke man houdt van voetbal.
  2. mens.
    Een man heeft voedsel nodig.
  3. echtgenoot, getrouwde man.
    John is de man van Elly.
Vertalingen
Verwante begrippen


Engels

Zelfstandig naamwoord

man

  1. man; een volwassen persoon van het mannelijk geslacht.
  2. persoon; menselijk individu.
  3. mens; zoogdier waartoe wij gerekend worden, Homo sapiens.
  4. mensheid; alle mensen als geheel.


Occitaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • man
enkelvoud meervoud
man mans

Zelfstandig naamwoord

man v

  1. hand


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • man

Onbepaald voornaamwoord

man

  1. men
    «Man får inte äta eller dricka i det här rummet.»
    Men mag in deze kamer niet eten of drinken.

Zelfstandig naamwoord

man g

  1. man
    «Där går två män och en kvinna.»
    Daar lopen twee mannen en een vrouw.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   man     mannen     män     männen  
genitief   mans     mannens     mäns     männens  
Afgeleide begrippen
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/man"
Persoonlijke instellingen