man
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- man
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | man | mannen |
| verkleinwoord | mannetje | mannetjes |
Zelfstandig naamwoord
man m
- persoon van het mannelijk geslacht.
- Elke man houdt van voetbal.
- mens.
- Een man heeft voedsel nodig.
- echtgenoot, getrouwde man.
- John is de man van Elly.
Vertalingen
1. Persoon van het mannelijk geslacht
2. Mens
3. Echtgenoot
Verwante begrippen
Engels
Zelfstandig naamwoord
man
- man; een volwassen persoon van het mannelijk geslacht.
- persoon; menselijk individu.
- mens; zoogdier waartoe wij gerekend worden, Homo sapiens.
- mensheid; alle mensen als geheel.
Occitaans
Uitspraak
- IPA: /'ma/
Woordafbreking
- man
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| man | mans |
Zelfstandig naamwoord
man v
Zweeds
Uitspraak
Woordafbreking
- man
Onbepaald voornaamwoord
man
- men
- «Man får inte äta eller dricka i det här rummet.»
- Men mag in deze kamer niet eten of drinken.
- «Man får inte äta eller dricka i det här rummet.»
Zelfstandig naamwoord
man g
- man
- «Där går två män och en kvinna.»
- Daar lopen twee mannen en een vrouw.
- «Där går två män och en kvinna.»
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | man | mannen | män | männen |
| genitief | mans | mannens | mäns | männens |