homme
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Frans
Uitspraak
- IPA: /ɔm/
Woordherkomst en -opbouw
- van het Latijnse homo (mens)
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord | |
| mannelijk | homme | l'homme | hommes | les hommes |
| vrouwelijk | femme | la femme | femmes | les femmes |
Zelfstandig naamwoord
homme m
- mens
- L’homme a marché sur la Lune. – De mens heeft op de maan gelopen.
- man
- Il y avait autant d’hommes que de femmes. – Er waren evenveel mannen als vrouwen.
- man, echtgenoot
- Elle ne veut épouser que l’homme de son choix. – Ze wil slechts met de man van haar keuze trouwen.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- un homme d'affaires
- een zakenman
- un homme de bien
- een rechtschapen man
- un homme de lettres
- een schrijver
- un homme de loi
- een advocaat, een magistraat
- un homme de paille
- een stroman
- un homme de peine
- een sjouwer(man)
- un homme de robe
- een magistraat
Spreekwoorden
- l'homme propose, Dieu dispose
- de mens wikt, maar God beschikt