familie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·mi·lie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord familie families
verkleinwoord familietje familietjes

Zelfstandig naamwoord

familie v

  1. (familie) (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
    We zijn met de hele familie, inclusief alle klein- en achterkleinkinderen, naar de honderdste verjaardag van oma geweest.
  2. (biologie) taxon, een groep dieren of planten, onderdeel van een orde en bestaande uit een of meer geslachten
Synoniemen
  • geslacht
  • sibbe
  • gezin (familie in engere zin)
  • groep (bijvoorbeeld bij taal; een taalfamilie is gelijk aan een taalgroep)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord familie

Zelfstandig naamwoord

familie

  1. (familie) familie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·mi·lie
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse woord familia
Naar frequentie 529
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   familie     familien     familier     familiene  
genitief   families     familiens     familiers     familienes  

Zelfstandig naamwoord

familie m

  1. (familie) gezin
    «En familie på tre har blitt fraktet til Nordlandssykehuset etter en trafikkulykke i Bodø.»
    Een gezin van drie is naar een verkeersongeval in Bodø in het Noordlandziekenhuis gebracht geworden.
  2. (familie) familie
  3. (familie) geslacht
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·mi·lie
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse woord familia
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   familie     familien     familiar     familiane  

Zelfstandig naamwoord

familie m

  1. (familie) gezin
  2. (familie) familie
  3. (familie) geslacht
Afgeleide begrippen