familie
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
- fa·mi·lie
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | familie | families |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
familie v
- (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
- We zijn met de hele familie, inclusief alle klein- en achterkleinkinderen, naar de honderdste verjaardag van oma geweest.
Synoniemen
- geslacht
- sibbe
- gezin (familie in engere zin)
- groep (bijvoorbeeld bij taal; een taalfamilie is gelijk aan een taalgroep)
Verwante begrippen
|
gezin, vader, moeder, kind, ouder, broer, zus, opa, oma, neef, nicht, oom, tante, huwelijk, echtgenoot, echtgenote zwager, zwagerin, schoonbroer, schoonzus, voorouder, nakomeling, voorgeslacht, nageslacht, stamboom |
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.