ei

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Eieren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei
enkelvoud meervoud
naamwoord ei eieren
verkleinwoord eitje eitjes, eiertjes

Zelfstandig naamwoord

ei o

  1. (voeding) dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal.
    Ik lust wel een lekker zachtgekookt eitje.
  2. (biologie) de vrouwelijke kiemcel die met de mannelijke samensmelt voor de voortplanting.
    Het eitje komt vrij bij de eisprong.
  3. (planten) de haploïde cel in de zaadknop.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Beter een half ei dan een lege dop.
    • Iets, al is het weinig, is nog steeds beter dan niets.
Uitdrukkingen en gezegden
  • het ei van Columbus
    • een simpele doch geniale oplossing
  • eieren voor zijn geld kiezen
    • zijn oorspronkelijke standpunt of voornemen loslaten vanwege de consequenties; een beperkte nederlaag accepteren om de kans op een groter verlies uit te sluiten
  • zijn ei kwijt kunnen
    • de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken
  • zijn ei kwijt zijn
    • niet meer weten waar men mee bezig was
  • op eieren lopen
    • zeer voorzichtig te werk gaan
Vertalingen

Tussenwerpsel

ei!

  1. (verouderd) uitroep van verbazing oei, o!
    "Ei, ei!" riep hij op een' spottenden toon uit, "wildet gij dan, dat het nijmphen, of godinnen waren, of toovergodinnen, zoo als gij ze noemt?"[1]
Uitdrukkingen en gezegden
  • ei zo na
op een haartje na, bijna
  1. «Zij belandde ei zo na onder een vrachtwagen.»
    Zij belandde op een haar na onder een vrachtwagen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. blz 254 Herman of Natuur en Beschaving. H.G. Mokke 1833


Estisch

Bijwoord

ei

  1. nee


Faeröers

Bijwoord

ei

  1. niet
Synoniemen


Fins

Bijwoord

ei

  1. nee


IJslands

Bijwoord

ei

  1. (archaïsch) niet
Synoniemen


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈɛ.jiː/
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief is ea id , eae ea
accusatief eum eam eōs eās
genitief eius eōrum eārum eōrum
datief eīs, iīs
ablatief

Persoonlijk voornaamwoord

ĕī

  1. zij; deze/die (nominatief mannelijk meervoud van de derde persoon)
  2. aan/voor hem; aan/voor deze/die (datief mannelijk enkelvoud van de derde persoon)
  3. aan/voor haar; aan/voor deze/die (datief vrouwelijk enkelvoud van de derde persoon)
  4. eraan, ervoor; hieraan/hiervoor, daaraan/daarvoor (datief onzijdig enkelvoud van de derde persoon)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: ɪ/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

ei o

  1. ei.
Verbuiging
Synoniemen


Nynorsk

Telwoord (nno)
0
1
1
1
11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Uitspraak

Hoofdtelwoord

ei

  1. een
Schrijfwijzen
  • ein (voor mannelijke en vrouwelijke woorden)
  • ett (voor onzijdige woorden)


Savoenees

Zelfstandig naamwoord

ei

  1. water