min
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- min
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | min | minnen |
| verkleinwoord | minnetje | minnetjes |
min
- minus, verminderd met (-).
- voedster, vrouw die tegen betaling een vreemd kind zoogt.
Vertalingen
1. minus, verminderd met (-)
2. voedster, vrouw die tegen betaling een vreemd kind zoogt.
Bijvoeglijk naamwoord
min
- vnl. als predicaat: ondermaats, verachtelijk.
- Dat was hem te min.
Angelsaksisch
Persoonlijk voornaamwoord
mīn