min

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min
enkelvoud meervoud
naamwoord min minnen
verkleinwoord minnetje minnetjes

Zelfstandig naamwoord

min v

  1. (beroep) een vrouw die tegen betaling een vreemd kind zoogt
  2. liefde, genegenheid (zie bijv. minnedicht)
Synoniemen
Vertalingen
stellend
onverbogen min
verbogen minne

Bijvoeglijk naamwoord

min

  1. voornamelijk als predicaat: ondermaats, verachtelijk
    Dat was hem te min.
Synoniemen

Bijwoord

min

  1. minus, verminderd met (-)
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
minnen

min

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minnen
    Ik min.
  2. gebiedende wijs van minnen
    Min!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minnen
    Min je?


Angelsaksisch

Persoonlijk voornaamwoord

mīn

  1. mijn


Azeri

Telwoord (aze)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 106
3 13 30
4 14 40
5 15 50
6 16 60
7 17 70
8 18 80
9 19 90

Hoofdtelwoord

min

  1. duizend


Zweeds

Uitspraak

Bezittelijk voornaamwoord

min

  1. mijn