maar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maar
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: maer, māre, mar, mer < nemaer, nemāre
  • Verwant in Germaans:
Angelsaksisch: nǣre, Duits: nur, (Oudhoogduits: niwāri), Fries: mar (Oudfries: mar, mer, newēre)

Voegwoord

(nevenschikkend)
maar

  1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
    Het is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil.
Synoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord maar maren
verkleinwoord maartje maartjes

Zelfstandig naamwoord

maar v/m

  1. bezwaar, tegenwerping
    De maar van jouw voorstel is dat ik het moet betalen.
    Zij gaven na veel mitsen en maren toch toestemming.


Manado-Maleis

Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Nederlands.

Voegwoord

maar

  1. maar