mijn
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n |
mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je |
jouwe | jullie je |
- |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n |
zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r |
hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn (ervan) |
- | ||
Uitspraak
Woordafbreking
- mijn
Bezittelijk voornaamwoord
mijn
- van de eerste persoon enkelvoud.
- Mijn huis staat op een heuvel.
Verwante begrippen
- Clitische vorm: m'n
Citaten
Hij kent het verschil niet tussen het mijn en het dijn.
- Hij gedraagt zich alsof alles zijn bezit is.
1.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | mijn | mijnen |
| verkleinwoord | mijntje | mijntjes |
Zelfstandig naamwoord
- vaak onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden.
- voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking en dergelijke.
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
| mijnen |
mijn