buurman
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- buur·man
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | buurman | buurmannen |
| verkleinwoord | buurmannetje | buurmannetjes |
Zelfstandig naamwoord
buurman m
- een man naast wie men woont
- Toen mijn buurman op vakantie was, zorgde ik voor zijn huisdieren.