gade
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ga·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gade | gaden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- (formeel) echtgenoot, echtgenote
- Zij schreed met haar gade de zaal binnen.
Vertalingen
1. echtgenoot, echtgenote
Bijwoord
gade
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: in het oog
- gadeslaan: Hij sloeg het schouwspel met genoegen gade.
Deens
Uitspraak
Woordafbreking
- ga·de
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord gata
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | gade | gaden | gader | gaderne |
| genitief | gades | gadens | gaders | gadernes |
Zelfstandig naamwoord
gade, g
- (verkeer) weg (een smalle strook grond voor het verkeer )
- (verkeer) straat (weg tussen huizen)
- (verkeer) rijbaan, straat
- (verkeer) straatweg
- de openbare weg
Synoniemen
- [4]: bygade
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
|
|
Uitdrukkingen en gezegden
- [3]: gå over gaden
over de rijbaan gaan
- [3]: krydse gaden
de straat oversteken