maken

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ken

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
maken
maakte
gemaakt
zwak -t volledig

maken

  1. (overgankelijk) in elkaar aan het zetten.
    Hij was een houten meubel aan het maken.
  2. (overgankelijk) ervoor zorgen dat het weer werkt.
    De jongen vroeg aan zijn vader of die zijn trein kon maken.
  3. (overgankelijk) optellen tot een bepaald bedrag.
    Dat maakt dan zes euro en tien cent.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen