timmerman
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tim·mer·man
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | timmerman | timmermannen, timmerlieden, timmerlui |
| verkleinwoord | timmermannetje | timmermannetjes |
Zelfstandig naamwoord
timmerman m
- (beroep) iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
- De timmerman ging na veertig jaar met pensioen.
Vertalingen
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt