zakenman
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- za·ken·man
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zakenman | zakenmannen zakenlieden zakenlui |
| verkleinwoord | zakenmannetje | zakenmannetjes |
Zelfstandig naamwoord
zakenman m
- iemand die met zakendoen zijn brood verdient
- Hij is een gewiekst zakenman.
Vertalingen
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
|
|