slap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slap
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slap slapper slapst
verbogen slappe slappere slapste

Bijvoeglijk naamwoord

slap

  1. stevigheid ontberend
    Deze slappe aandrijfriem moet strakgetrokken worden.
  2. overdrachtelijk: laf, onmachtig, kordaatheid ontberend
    Dat was gewoon slap van je.
    Hij had de slappe lach.


Deens

Woordafbreking
  • slap

Werkwoord

slap

  1. gebiedende wijs van slappe

Werkwoord

slap

  1. verleden tijd van slippe