slap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slap
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slap slapper slapst
verbogen slappe slappere slapste
partitief slaps slappers -

Bijvoeglijk naamwoord

slap

  1. stevigheid ontberend
    Deze slappe aandrijfriem moet strakgetrokken worden.
  2. overdrachtelijk: laf, onmachtig, kordaatheid ontberend
    Dat was gewoon slap van je.
    Hij had de slappe lach.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slappen

slap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slappen
    Ik slap.
  2. gebiedende wijs van slappen
    Slap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slappen
    Slap je?
Verwijzingen



Deens

Woordafbreking
  • slap

Werkwoord

slap

  1. gebiedende wijs van slappe

Werkwoord

slap

  1. verleden tijd van slippe