Naar inhoud springen

wijk

Uit WikiWoordenboek
  • wijk
enkelvoud meervoud
naamwoord wijk wijken
verkleinwoord wijkje wijkjes

dewijkv/m

  1. (aardrijkskunde) een bewoond deel van een stad of een gemeente
     Crassus zou het wel doen! Heb je hem ooit aan het werk gezien? Laten we zeggen dat hij van een brand hoort die zich door een bepaalde wijk verspreidt.[5]
  2. (waterbeheer) een watergang
  • De wijk nemen
Ervandoor gaan
vervoeging van
wijken

wijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijken
    • Ik wijk. 
  2. gebiedende wijs van wijken
    • Wijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijken
    • Wijk je? 
     Ik wijk iets terug en we kijken elkaar aan.[6]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.