wijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijk
enkelvoud meervoud
naamwoord wijk wijken
verkleinwoord wijkje wijkjes

Zelfstandig naamwoord

wijk v/m

  1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
  2. een watergang
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
wijken

wijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijken
    Ik wijk.
  2. gebiedende wijs van wijken
    Wijk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijken
    Wijk je?