wekenlang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ken·lang
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen wekenlang
verbogen wekenlange
partitief wekenlangs

Bijvoeglijk naamwoord

wekenlang

  1. Iets met een tijdsduur van weken.
    • Met een gebroken arm kun je wekenlang niet zwemmen. 
     Een paar jaar geleden had Sinterklaas wekenlang vergeefs gezocht.[1]
     Met een bearspray op je heup ga je wekenlang niemandsland in.[2]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be