wekenlang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ken·lang
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen wekenlang
verbogen wekenlange
partitief wekenlangs

Bijvoeglijk naamwoord

wekenlang

  1. Iets met een tijdsduur van weken.
    • Met een gebroken arm kun je wekenlang niet zwemmen. 
     Een paar jaar geleden had Sinterklaas wekenlang vergeefs gezocht.[1]


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11