wijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wij·ken

Zelfstandig naamwoord

wijken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wijk
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wijken
week
geweken
klasse 1 volledig

Werkwoord

wijken

  1. (ergatief) voor iets uit de weg gaan
    Zij waren geweken voor de onverhoedse aanval.
  2. (ergatief) niet langer een bedreiging zijn
    De koorts is gelukkig wat geweken