zacht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zacht zachter zachtst
verbogen zachte zachtere zachtste
partitief zachts zachters -

Bijvoeglijk naamwoord

zacht

  1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
    • Die hoed was gemaakt van zacht materiaal. 
  2. het gemoed niet sterk aangrijpend
    • Hij stierf een zachte dood. 
  3. zachtaardig.
    • Hij werkte in de zachte sector. 
  4. aangenaam voor de zinnen
    • Al met al was het weer een zachte winter. 
  5. weinig geluidsvolume bevattend
    • Dat is wel een erg zacht geluid. 
  6. geleidelijk.
    • Er vond een zachte verandering plaats. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie