zacht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet hard’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zacht zachter zachtst
verbogen zachte zachtere zachtste
partitief zachts zachters -

Bijvoeglijk naamwoord

zacht

  1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
    • Die hoed was gemaakt van zacht materiaal. 
     De zwart verkoolde buitenkant omhulde zacht, wit vlees.[2]
  2. het gemoed niet sterk aangrijpend
    • Hij stierf een zachte dood. 
  3. zachtaardig.
    • Hij werkte in de zachte sector. 
  4. aangenaam voor de zinnen
    • Al met al was het weer een zachte winter. 
  5. weinig geluidsvolume bevattend
    • Dat is wel een erg zacht geluid. 
  6. geleidelijk.
    • Er vond een zachte verandering plaats. 
Antoniemen
Hyponiemen


Bijwoord

zacht

  1. met weinig geluidsvolume
     Mijn spelling was op z’n zachtst gezegd interessant omdat ik in Engeland op school heb gezeten en nooit foutloos Nederlands heb leren schrijven.[2]
Spreekwoorden
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen