wekelijks

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ke·lijks
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen wekelijks
verbogen wekelijkse
partitief wekelijks

Bijvoeglijk naamwoord

wekelijks [2] [3]

  1. een maal per week, elke week terugkerend
    • Dit is de wekelijkse markt. 
Hyponiemen
Vertalingen

Bijwoord

wekelijks

  1. een maal per week, elke week
    • De kaasboer komt hier wekelijks langs. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen