zwak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwak
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: zwac
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: schwach, Fries: swak
Noord: Zweeds/Deens: svag, Noors: svak
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zwak zwakker zwakst
verbogen zwakke zwakkere zwakste
partitief zwaks zwakkers -

Bijvoeglijk naamwoord

zwak

  1. tekortkomend in kracht of vaardigheid
  2. taalk. (Germaanse werkwoorden) een verleden tijd vormend met een dentaal achtervoegsel
    • Reizen-reisde-gereisd is een zwak werkwoord, rijzen-rees-gerezen een sterk. 
  3. taalk. (Germaanse naamwoorden) een stelsel buigingsuitgangen vertonend die op -n gebaseerd zijn
    • Des hertogen is een zwakke genitief, des konings een sterke. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordafbreking
  • zwak
enkelvoud meervoud
naamwoord zwak zwakken
verkleinwoord zwakje zwakjes

Zelfstandig naamwoord

zwak o

  1. een zwakke plek, neiging tot
    • Hij heeft een zwak voor snelle auto's. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.