wekeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • we·ke·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wekeling wekelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wekeling m [2]

  1. iemand die te zeer verwend en vertroeteld is en daardoor niet meer krachtig kan handelen
Synoniemen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[3]


Verwijzingen