vrouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrouw
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: vrouwe, vrowe, ver
Oudnederlands: frouwa
Germaans: *frawjōn
Indo-Europees: *prōw-
  • Verwant in Germaans:
Angelsaksisch: frēa, frēo, Duits: Frau, (Oudhoogduits: frouwa), Fries: frou (Oudfries: frouwe, frowe)
enkelvoud meervoud
naamwoord vrouw vrouwen
verkleinwoord vrouwtje vrouwtjes

Zelfstandig naamwoord

vrouw v

  1. (biologie) een volwassen vrouwelijke mens
    • Die vrouw is erg lustig. 
  2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    • Op het feest werd ik aan zijn vrouw voorgesteld. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie